Skip to main content

Zelfs die buren liefhebben?

De Christian Science Heraut - 9 Juni 2015

Oorspronkelijk gepubliceerd in de 20 april 2015 editie van de Christian Science Sentinel.


Onze naasten liefhebben is makkelijk als je een goede relatie met ze hebt. Maar wat als dit niet het geval is en onze buren ons overlast bezorgen? Op zulke momenten is het nodig dat wij met hart en ziel naar onze Vader-Moeder, God, uitreiken, de ware bron van ons bestaan en ook van onze buren.

In het eerste hoofdstuk van Genesis staat, dat de mens was gemaakt naar het beeld en de gelijkenis van God, en dat God zag dat zijn gehele schepping zeer goed was (vers 31). In Christian Science leren wij, dat de mens de weerspiegeling van God is en uitdrukking geeft aan alle eigenschappen van God. Daarom is de ware staat van de mens perfect, compleet, liefdevol en goedgezind.

Mary Baker Eddy schrijft in Wetenschap en Gezondheid met Sleutel tot de Heilige Schrift over de mens als afstammeling van de goddelijke Geest: “Zijn oorsprong is niet, zoals die van stervelingen, in dierlijk instinct gelegen en evenmin doorloopt hij stoffelijke toestanden voordat hij tot intelligentie komt. Geest is zijn eerste en laatste bron van het zijn; God is zijn Vader en Leven is de wet van zijn wezen” (blz. 63).

Zelfs wanneer er voor ons menselijk gevoel verandering noodzakelijk lijkt om de harmonie in een relatie te kunnen waarnemen, dan nog is die harmonie al aanwezig, omdat God – de goddelijke Waarheid en Liefde – altijd tegenwoordig is. Het is onze taak om trouw vast te houden aan de Waarheid, die wij kennen.

Onlangs mocht ik een genezende werking ervaren toen ik mijn buren in hun ware geestelijke identiteit kon zien. Ik woon in een buurt waar de huizen niet dicht op elkaar staan. Mijn buren en ik zien of spreken elkaar zelden, maar ik zwaai altijd vriendelijk als ik een van hen tegenkom.

Tegen het einde van de herfst, toen ik op een dag bladeren bij elkaar harkte, hoorde ik een hels kabaal van een kettingzaag. Ik liep rond mijn huis en trof een paar mannen aan, die takken verwijderden van bomen, waarvan ik dacht, dat die van mij waren. Toen ik hen vroeg wat ze aan het doen waren, vertelden ze mij, dat mijn buren opdracht hadden gegeven voor een nieuwe landmeting en dat zij ruimte moesten maken voor het plaatsen van een nieuwe schutting. Deze zou dicht bij de rand van mijn terrein komen te staan.

Ik vond het vreemd, dat mijn buren hierover geen contact met mij hadden opgenomen, maar ik vatte het goed op. Nadat de schutting was geplaatst, begonnen ze echter heel veel spullen in hun tuin te verzamelen, zoals emmers, oude voetbalgoals, een deur, en dergelijke. Ondanks het feit dat zij een grote tuin hadden en deze spullen makkelijk elders kwijt konden, werden ze zo dicht als mogelijk bij mijn huis opgestapeld. Vanuit mijn keukenraam zag ik nu elke dag hun rommel. In het begin dacht ik, dat zal wel tijdelijk zijn en ik maakte mij er geen zorgen over, maar na enkele weken begon het mij toch te storen.

Ik wist, dat de Bijbel ons leert om elkaar lief te hebben, om “uw naaste lief te hebben als uzelf” (zie Leviticus 19:18). In zijn preek op de berg (zie Mattheus, hoofdstukken 5-7), leerde Christus Jezus ons om van onze vijanden te houden, en hij geeft ons de bekend geworden Gulden Regel: “Alles dan wat u wilt dat de mensen u doen, doet u hun ook zo” (7:12, HS).

Vergeleken met de wreedheid, waarmee Jezus werd geconfronteerd en die hij moest vergeven gedurende zijn levenswerk, moest ik toegeven, dat de tekortkoming van mijn buren een kleinigheid was. Het drong tot mij door, dat de liefde waaraan Jezus uitdrukking gaf niet persoonlijk was, maar van God kwam; ik realiseerde mij, dat ik door gebed tot God niet alleen mijn buren kon liefhebben, maar ook mijzelf, genoeg om liefdevol te zijn. Dat hield in, dat ik mijzelf niet toestond vanuit een sterfelijk standpunt naar strijdende persoonlijkheden te kijken of mij daarnaar te gedragen, maar in het rijk van de goddelijke Liefde te blijven, waar alleen liefde kan worden gevoeld en alleen vanuit liefde kan worden gehandeld.

Ik deed mijn uiterste best om meer lief te hebben. Ik besloot, dat iedere keer als ik deze stapel afval zou zien, ik in mijn gedachten zou zeggen, “ik hou van jullie,” denkende aan mijn buren, wetende dat zij nooit iets minder dan de perfecte uitdrukking van de goddelijke Liefde konden zijn.

Gedurende enige tijd bracht dit rust, maar na ongeveer een week, verbaasde ik mij erover, dat er geen verandering had plaatsgevonden. Ik had werkelijk verwacht, dat de rommel zou worden weggehaald. Met mijn hele hart reikte ik uit naar God en vroeg wat ik moest doen. Het was enkele dagen voor Kerstmis en het antwoord kwam ogenblikkelijk, ik moest een kerstkaart met liefdevolle boodschap voor hen schrijven.

“Klopt dit?” vroeg ik mij tegensputterend af. “Ik weet hun naam niet eens. Ik stuur nooit kerstkaarten. En ik wist niet wat ik moest schrijven, opdat er geen misverstand zou kunnen ontstaan.”

Ik had veel smoesjes. Desalniettemin schoof ik die terzijde en ging met een prachtige kerstkaart aan tafel zitten. Ik begon te schrijven vanuit mijn hart en sloot af met de mededeling, dat ik hun nieuwe schutting mooi vond. Later die dag toen ik voorbij hun huis kwam, heb ik de kaart tussen de deur gestopt (wij hebben geen brievenbussen).

Binnen twee dagen werd alle rommel verwijderd! Voor mij was dit het natuurlijke gevolg van een helderder begrip, dat de mens geen dwalende sterveling is, maar de zuivere uitdrukking van oneindige Liefde – en het in de praktijk brengen van dit gebed.

In Wetenschap en Gezondheid, schrijft Eddy: “De toets voor alle gebed ligt in het antwoord op de volgende vragen: Hebben wij onze naaste méér lief als gevolg van ons gebed? Volharden wij in de oude zelfzucht, voldaan omdat wij om iets beters hebben gebeden, al geven wij geen blijk van de oprechtheid van ons bidden door in overeenstemming met ons gebed te leven? Indien zelfzucht voor welwillendheid heeft plaatsgemaakt, zullen wij onze naaste zonder zelfzucht beschouwen en hen zegenen, die ons vervloeken; maar wij zullen deze hoge plicht nooit vervullen door alleen maar te vragen, dat dit zal gebeuren. Er moet een kruis worden opgenomen, voordat wij de vruchten kunnen plukken van onze hoop en ons geloof” (blz. 9).

Of het onze naaste bij de volgende deur of aan de andere kant van de wereld betreft, in het verkeer in de auto vóór ons of in een openbare ruimte, we kunnen iedereen zien als het geestelijke kind van God, gemaakt naar Zijn beeld en de afspiegeling van Zijn zuivere goedheid. Onze bereidheid om verder te kijken dan de stoffelijke beleving van zaken, ons te ontdoen van negatieve kritiek en onze naaste te omarmen in onzelfzuchtige, christelijke liefde, die Jezus ons heeft geleerd, is het gebed, dat het verschil uitmaakt en geneest.

The Mission of the Herald

In 1903, Mary Baker Eddy established The Herald of Christian Science. Its purpose: "to proclaim the universal activity and availability of Truth." The definition of "herald" as given in a dictionary, "forerunner—a messenger sent before to give notice of the approach of what is to follow," gives a special significance to the name Herald and moreover points to our obligation, the obligation of each one of us, to see that our Heralds fulfill their trust, a trust inseparable from the Christ and first announced by Jesus (Mark 16:15), "Go ye into all the world, and preach the gospel to every creature."

Mary Sands Lee, Christian Science Sentinel, July 7, 1956

Learn more about the Herald and its Mission.