Skip to main content

Uit de duisternis – naar het licht

De Christian Science Heraut - 26 maart 2015

Oorspronkelijk gepubliceerd in de november 2014 editie van The Christian Science Journal.


Verblijf jij vaak met jouw gedachten in grafspelonken? Ik deed dat wel. Mijn gedachte was armoedig geworden en ik had een somber beeld over het leven. Ik werd van de ene uitdaging naar de andere uitdaging geleefd – en verwachtte niet anders. Ofschoon ik een student in Christian Science was en vele genezingen van fysieke kwalen had ervaren, waren mijn verwachtingen ten aanzien van het goede zo goed als niet aanwezig.

Op een dag las ik het verhaal van de Gadarenen (HSV Markus 5:1-19) in de Christian Science bijbelles en het kwam bij mij op, dat ik veel gemeen had met de bijbelse figuur in dit verhaal. Ik begon eraan te werken dit verhaal te begrijpen om zo mijn weg te vinden uit de grafmentaliteit.

Toen ik mijn gedachten naging, werd ik mij bewust van het feit, dat ik net zo als deze man in “grafspelonken” verbleef – mijn gedachten waren grauw en depressief. Ik had meerdere dierbare familieleden verloren, en ik bleef maar denken dat  ik een beter begrip van de dood nodig had, in plaats van mij bezig houden meer te begrijpen van Leven, God.

In Wetenschap en Gezondheid met Sleutel tot de Heilige Schrift, schrijft Mary Baker Eddy: “Wij weten niet meer van de mens als Gods ware beeld en gelijkenis, dan wij van God weten” (blz. 258). Dus het najagen van kennis over de dood is niet het verlangen naar Waarheid, maar het achtervolgen van dwaling. Deze denkwijze is stofgebonden en vergelijkbaar met een vogel, die met een gebroken vleugel probeert te vliegen, maar niet van de grond kan loskomen.

Het verhaal in Markus vertelt, dat de Gadareen dikwijls met boeien en ketenen gebonden was geweest, maar deze telkens had gebroken en verbrijzeld. Voor mij betekent dit, dat de stoffelijk geketende gedachte is verbonden met het wereldse denken en ofschoon deze gedachte probeert los te breken, blijft hij vastgeketend.

Met andere woorden: “Menselijke wetten, schoolse godgeleerdheid, stoffelijke geneeskunde en hygiëne leggen geloof en geestelijk begrip aan banden” (Wetenschap en Gezondheid, blz. 226). Deze geloofsvormen maken het moeilijk om aangetrokken te worden door het goede van God en keren zich telkens weer  naar het stoffelijke. Zoals de Gadareen verlangde ik naar de Christus, Waarheid, maar ik kon er geen vat op krijgen.

Ik begon in te zien, dat het stoffelijk gebonden denken totaal tegengesteld is aan het begrijpen dat er slechts één oneindig Gemoed is, en dat het altijd naar oorzaak en gevolg in de stof zoekt. Ofschoon dit denken in tijd van nood weleens naar God neigt, stelt het geen fundamenteel en blijvend vertrouwen in Gods goedheid.

Dit denken is wanordelijk en leidt tot verwarring, en is vanwege een wantrouwen in het goede makkelijk bang te krijgen. Het vermijdt liever uitdagingen dan deze aan te gaan. Het kan het enige oneindige Zijn – God en Zijn idee, de mens – niet ontwaren.

Toen Jezus in het land van de Gadarenen aankwam, “snelde de man naar hem toe”. Maar toen Jezus hem wilde helpen door de demonen uit te drijven die bezit van hem hadden genomen, daagde de man Jezus uit: “Wat heb ik met u te maken, Jezus, Zoon van God de Allerhoogste? Ik bezweer u bij God dat u mij niet pijnigt!” (Markus 5:7). Eerder in het verhaal stond dat de man zichzelf met stenen sloeg. In Wetenschap en Gezondheid lezen wij bij de definitie van rots: “Koudheid en halsstarrigheid” (blz. 593).

De gedachte die zich ophoudt in grafspelonken, oftewel een sterfelijke waarneming van het zijn, verzet zich tegen de Christus, omdat de Christus zo vreemd voor deze gedachte is. Ofschoon hij verlangde naar rust en verlichting, werd de Gadereen gekweld met problemen, waarvan hij dacht, dat die bij hem hoorden. Zijn beeld van God was armoedig en zo verging het mij ook. Hij geloofde misschien wel in de kracht van God, maar niet dat die voor hem zou kunnen werken.

Gelukkig stelt sterfelijke weerstand niets voor tegenover de alheid en alomtegenwoordigheid van God. Ik vond dat de hardheid en weerstand tegen het goede, dat soms tot ons denken lijkt door te dringen, niet opgewassen is tegen de Christus, Waarheid. God communiceert voortdurend gedachten van vrede en welbevinden naar Zijn gelijkenis, de mens. Als Jezus had geloofd dat dwaling echt had kunnen zijn en macht zou bezitten zoals God, het goede, zou hij nooit hebben kunnen genezen en de mensheid zegenen. “Voor de oneindige, altijd-tegenwoordige Liefde is alles Liefde en is er geen dwaling, geen zonde, ziekte of dood” (Wetenschap en Gezondheid, blz 567).Zodoende was Jezus in staat om de kwelgeesten bij de Gadareen uit te drijven en zijn gezonde verstand te herstellen.

Toen ik bad om te zien dat ik met mijn gedachten niet  in grafspelonken kon verblijven, omdat zulke gedachten niet van God komen, vond ik de vrijheid van dit beklemmende denken. Ik begon mijzelf  te zien als “de volledige vertegenwoordiging van Gemoed” (Wetenschap en Gezondheid,  blz. 591) en realiseerde mij, dat gelimiteerde duistere gedachten geen deel van mijn ware natuur zijn.

Hoe meer ik God leerde begrijpen en mijn verwantschap met Hem, hoe meer mijn gedachte opleefde en ik verwachtte niet langer problemen. Ik stond open voor goddelijke leiding in alle facetten van mijn leven, waardoor ik beter mijn kerk, mijn werk en mijn familie kon steunen, in de wetenschap dat zij allemaal werden bestuurd door Liefde, God.

Mijn beeld van God is gegroeid en groeit nog steeds, en ik weet dat God alleen het goede met ons voorheeft – omdat God al het goede is. Mijn individualiteit, zoals die van iedereen, komt van God en sluit alles in dat wij nodig hebben om Hem volledig tot uitdrukking te brengen. Mijn blijdschap en zekerheid hebben mij naar “de schuilplaats van de Allerhoogste” gebracht (Psalmen 91:1).

Ongeveer een jaar geleden kwam ik tot de ontdekking dat ik opnieuw afdwaalde naar het Gadareen-denken. Gedurende een periode van enkele weken had ik het ene fysieke probleem na het andere. In feite beklaagde ik mijzelf op een gegeven moment dat ik nooit meer door zoiets wilde heengaan. Dit bracht mij terug naar het bijbelse verhaal, naar het moment dat de demonen in de Gadareen met Jezus spraken en onthulden dat hun naam “Legio” was, want zij waren met velen.

Toen werd het mij duidelijk dat ik niet met een aantal problemen te maken had, maar met verschillende beweringen dat het kwaad macht heeft en controle over mij kan hebben. Het was alsof het de macht had om te zeggen, “OK, je hebt toen met mij afgerekend, maar wat doe je nu? Je hebt daarmee afgehandeld, maar wat ga je hiermee doen?” Toen ik eenmaal had besloten nooit meer de suggestie te accepteren, in welke gedaante hij zich ook vertoonde, dat de ongelijkenis van God onderdeel van mijn wezen kan zijn, stopten de problemen en ik kreeg mijn normale gezondheid en gezonde verstand terug. “Legio” was uitgedreven en de harmonie keerde terug.

Nu denk ik niet meer dat ik iets gemeen heb met  de Gadareen. Ik ben zo dankbaar voor de lessen die ik door mijn studie van dit verhaal in Markus heb geleerd, en voor een beter begrip van Christus, Waarheid. Ik heb de grafspelonken verlaten en ga nooit meer terug.

The Mission of the Herald

In 1903, Mary Baker Eddy established The Herald of Christian Science. Its purpose: "to proclaim the universal activity and availability of Truth." The definition of "herald" as given in a dictionary, "forerunner—a messenger sent before to give notice of the approach of what is to follow," gives a special significance to the name Herald and moreover points to our obligation, the obligation of each one of us, to see that our Heralds fulfill their trust, a trust inseparable from the Christ and first announced by Jesus (Mark 16:15), "Go ye into all the world, and preach the gospel to every creature."

Mary Sands Lee, Christian Science Sentinel, July 7, 1956

Learn more about the Herald and its Mission.