Skip to main content

Ware identiteit

De Christian Science Heraut - 17 mei 2017

Oorspronkelijk gepubliceerd in de 6 februari 2017 editie van de Christian Science Sentinel.


Veel mensen identificeren zichzelf in materiële termen, die slaan op dingen zoals hun ras, geboorteplaats, beroep, en persoonlijke verworvenheden. Als we iemand voor het eerst ontmoeten, zijn we geneigd te vragen: “Waar kom je vandaan? Wat doe je voor werk?” Wij vereenzelvigen onszelf zo nauw met uitsluitend menselijke eigenschappen en gebeurtenissen, dat zij wel onze identiteit lijken te worden. Etiketten voor onze materiële identiteit zijn overal: introvert, atleet, technicus, artiest, overlevende van ziekten, enzovoort.

Maar materiële identiteitsetiketten kunnen niet onthullen wat we werkelijk zijn. De Bijbel leert dat de mens gemaakt is naar het beeld en de gelijkenis van God, Geest (zie Genesis 1:26, 27). Daarom is de ware identiteit van ieder van ons geestelijk, niet materieel. Geestelijke identiteit, in tegenstelling tot materiële identiteit, is zuiver en alleen gebaseerd op de natuur van God, en wordt alleen in God gevonden.

Als het beeld van God weerspiegelen wij Gods intelligentie, kracht en creativiteit, welke alle onbegrensd zijn. God, Geest, is de bron van onze identiteit, en hoe meer wij begrijpen wat God is, des te beter zijn wij in staat te begrijpen wat wij zijn als Gods beeld en gelijkenis—en dat begrijpen in ons leven te demonstreren. Dit betekent dat beperkte sterfelijke beweringen als “ik ben niet slim, sterk of getalenteerd genoeg” of “ik kan me niet verbeteren; zo ben ik nu eenmaal” onjuist zijn en niet bij ons horen, of bij ieder ander, omdat ze niet bij God horen.

Als wij het onderscheid tussen de sterfelijke mens en de onsterfelijke mens begrijpen, vergeestelijkt dat ons inzicht in identiteit. In Wetenschap en Gezondheid met Sleutel tot de Heilige Schrift verklaart Mary Baker Eddy: “De werkelijke mens kan niet van heiligheid afwijken; evenmin kan God, door wie de mens tot ontwikkeling is gebracht, het vermogen of de vrijheid tot zondigen verwekken. Een sterfelijk zondaar is niet Gods mens. Stervelingen zijn de bedrieglijke namaaksels van onsterfelijken,” en zij voegt eraan toe: “Leer dit inzien, o sterveling, en streef ernstig naar de geestelijke staat van de mens, welke buiten alle stoffelijke zelfheid is gelegen” (blz. 475-476). Als de sterfelijke mens het bedrieglijke namaaksel is van de onsterfelijke mens, dan is elke poging om iemands echte identiteit in sterfelijke, materiële termen te definiëren fout.

Een paar jaar geleden kreeg ik bij de geboorte van mijn dochter een beter inzicht in de ware, geestelijke natuur van identiteit, die de sleutel is geweest voor de effectieve toepassing van Christian Science in mijn leven. Voordat onze dochter werd geboren streefden mijn vrouw en ik er serieus naar om “de geestelijke staat” die Eddy beschrijft, van onszelf en onze dochter te begrijpen.

Een bijbelvers uit het boek Jeremia was buitengewoon verhelderend voor onze voorbereiding: “Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd” (1:5). Dit toonde ons duidelijk dat geestelijke identiteit onafhankelijk bestaat van welke materiële omstandigheid dan ook.

In mijn gebed tijdens de voorbereiding vroeg ik mijzelf af: “Is de ware identiteit van mijn dochter sterfelijk of onsterfelijk?” Ik wist dat haar ware identiteit niet ergens in de stof gevonden kon worden. Aangezien haar identiteit gevormd wordt door God, is hij niet afhankelijk van fysieke omstandigheden of iets dat zij zou ondervinden in een ogenschijnlijk materieel bestaan. Haar identiteit is geheel geestelijk en daarom eeuwig. En als dat voor haar waar is, dan is het voor ons allen waar.

Toen onze dochter werd geboren, deed zich een gelegenheid voor om deze waarheden in praktijk te brengen. Mijn vrouw en ik waren in die tijd in actieve dienst van het Leger van de Verenigde Staten, en het was vereist dat mijn vrouw zou bevallen in een militair hospitaal. Als Christian Scientisten stelden wij de staf van het ziekenhuis op de hoogte van onze wens om op Christian Science te vertrouwen, en zij waren heel tegemoetkomend aan ons verzoek. Wij hadden het volste vertrouwen in Gods liefdevolle zorg voor onze dochter, omdat onze eigen ervaringen door op Christian Science te vertrouwen als het meest betrouwbare systeem van zorg daarvan bewijs hadden geleverd. We wisten dat, aangezien onze dochter geestelijk is, naar Gods beeld en gelijkenis, er dan geen plaats is voor ziekte, aandoeningen of onvolmaaktheid.

Een ernstige situatie bekend als meconiumaspiratiesyndroom, waarvoor we werden gewaarschuwd, deed zich voor vlak voordat onze dochter geboren werd. Direct na de geboorte onderzocht een team van artsen en verpleegsters haar grondig. Ze brachten haar onmiddellijk over naar de Neonatale Intensive Care Unit (NICU) voor verder onderzoek en testen.

Gedurende de gehele zwangerschap had een Christian Science practitioner ons in gebed ondersteund en we brachten haar direct van de situatie op de hoogte. Het was ook een zegen om samen te werken met een Christian Science verpleegster, die bij ons in het ziekenhuis aanwezig was. Wij allen hadden vertrouwen in Gods altijd aanwezige bescherming en we waren totaal niet onder de indruk van de stoffelijke diagnose die was gesteld. Wij bevestigden rustig, krachtig en liefdevol de ware, geestelijke identiteit van dit geliefde kind van God. De geestelijke werkelijkheid betekent dat de zinspeling op een schadelijke fysieke toestand onjuist is en op geen enkele wijze haar gezondheid en welzijn kon aantasten. We begrepen dat deze geestelijke werkelijkheid zich in de menselijke ervaring van onze dochter moest manifesteren.

De volgende paar uur voerde de ziekenhuisstaf testen uit op onze dochter en ze slaagde voor elke test. Er was geen medicatie nodig. Na het uitvoeren van de testen verlangden de artsen dat onze dochter tot de volgende dag voor observatie in de NICU zou blijven. Ze sliep die nacht vredig en werd de volgende morgen met ons herenigd.

Later vroeg een kinderarts, aan wie we voorafgaand aan de geboorte waren voorgesteld, ons of wij er een verklaring voor hadden dat onze dochter zo snel en volledig hersteld was. Deze dokter was kort daarvoor begonnen de Bijbel te bestuderen en ze stelde vragen over Gods genezende macht. Ze was diep onder de indruk van onze liefde voor onze dochter en dat we geen angst hadden. We vertelden haar hoe we hadden gebeden en hoe de bijbelse waarheden die duiden op de ware identiteit ons de vrede hadden gebracht die we nodig hadden. Deze waarheden hielpen ons Gods wet van opperste goedheid en gezondheid aantoonbaar te maken.

Deze ervaring heeft me niet alleen geholpen mijn dochter op de juiste wijze te zien als Gods idee, maar ook om mijn inzicht in mijn eigen geestelijke identiteit te verdiepen en het hielp me een begin te maken mij te ontdoen van de ketenen waarmee ik mijzelf gedurende jaren had geboeid. Het heeft mij geholpen mijn interacties en relaties met anderen te verbeteren en ook met vooruitgang in mijn carrière te maken.

Ware identiteit is uitsluitend gebaseerd op onze individuele, geestelijke uitdrukking van God. Onze identiteit als geheel geestelijk zien houdt in dat hij niet gekwetst, aangevallen, ongeschikt of verloren kan zijn. God beschermt  onze identiteit. Ik begrijp nu dat als ik mijzelf als materieel identificeer, ik tegelijkertijd mijn vermogen beperk om mijn ware, geestelijke identiteit te erkennen en te demonstreren. Als ik niet duidelijk mijn ware identiteit als geestelijk erken, dan beperk ik mijn bekwaamheid om mijzelf en anderen te genezen.

Eddy schrijft: “Jezus aanschouwde in de Wetenschap de volmaakte mens, die voor hem zichtbaar was, waar door stervelingen een zondig, sterfelijk mens wordt gezien. In deze volmaakte mens zag de Verlosser Gods eigen gelijkenis en deze juiste kijk op de mens genas de zieken” (Wetenschap en Gezondheid, blz. 476-477). Daarom is ons vermogen om onze juiste, geestelijke identiteit te zien, onze kracht om te genezen, zoals Jezus gedemonstreerd heeft; en God heeft dit talent aan iedereen gegeven. Deze “volmaakte mens” te zien is essentieel in de praktijk van Christian Science, en het openbaart de praktische toepassing van deze bijbelse waarheid: “Weet, dat de Heere God is; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijner weide” (Psalm 100:3).

The Mission of the Herald

In 1903, Mary Baker Eddy established The Herald of Christian Science. Its purpose: "to proclaim the universal activity and availability of Truth." The definition of "herald" as given in a dictionary, "forerunner—a messenger sent before to give notice of the approach of what is to follow," gives a special significance to the name Herald and moreover points to our obligation, the obligation of each one of us, to see that our Heralds fulfill their trust, a trust inseparable from the Christ and first announced by Jesus (Mark 16:15), "Go ye into all the world, and preach the gospel to every creature."

Mary Sands Lee, Christian Science Sentinel, July 7, 1956

Learn more about the Herald and its Mission.