Skip to main content

Op de vleugels van gebed

De Christian Science Heraut - 10 januari 2014

Oorspronklijk gepubliceerd in de 23 september 2013 editie van de Christian Science Sentinel.


In mijn tienerjaren woonde ik in Californië, in een gebied waar rijst werd verbouwd. Een van mijn geliefde activiteiten was op regenachtige en bewolkte dagen als de wind over de vlakte joeg er op uit te trekken. Het stadje waarin wij woonden lag op de vliegroute van migrerende ganzen. Het was geweldig om ze in V-formatie over de stad te zien vliegen en te horen hoe ze elkaar toeriepen. Op een bepaalde manier voelde ik dat zo’n moment voor mij het toppunt van vrijheid vertegenwoordigde. Hoog boven mij, volkomen in hun element, waren zij met sterke wiekslagen op weg naar hun bestemming. Ik schreef er zelfs een gedicht over, dat eindigt met:

Ook ik ben een vogel
Op vleugels vrij, verheven boven de verre stad benee,
De grijze wolkenlucht is mijn koninkrijk.

Nu even vlug vooruit naar de lente van 2011. Gebukt onder chronische pijn, niet in staat om normaal te eten en te slapen, voelde ik me alles behalve dat “de grijze wolkenlucht mijn koninkrijk was”. De moeilijkheden werden niet even snel opgelost, als voorafgaande problemen, en ik voelde mij al een paar maanden ernstig beperkt. Hoewel ik de meeste dingen die gedaan moesten worden wel kon doen, was ik er nooit zeker van wanneer de pijn zou terugkeren. Soms had ik zoveel pijn dat het beter leek thuis te blijven.

In deze periode had ik hulp van een Christian Science practitioner als ik het even niet alleen aankon. Maar ik vond het belangrijk dat ik zoveel mogelijk voor mijzelf bad om aan te tonen wat ik begreep van Gods zorg voor mij. Ik aarzelde echter niet om de practitioner te bellen als dat nodig leek en ik kreeg altijd meteen liefdevolle steun. Dit gaf me moed vol te houden met bidden, en genezing te verwachten als resultaat.

Toen ik op een ochtend de Christian Science bijbelles bestudeerde, keek ik op van mijn boeken en zag een ganzenfamilie, vader en moeder met vier babies, in een komische situatie. Het raam van mijn studeerkamer keek uit op een vijver waar een hek omheen stond. Er was niet veel ruimte tussen de spijlen. Stel je voor hoe verrast ik was (gegeven mijn vroegere overtuiging van de macht en de kundigheid van de ganzen) om vader gans heen en weer te zien rennen aan de ene kant van de omheining en te proberen zijn grote lijf door de spijlen te wringen, terwijl de babyganzen kennelijk besloten hadden om mama aan de andere kant te bezoeken en in de vijver te gaan zwemmen. Zij waren zonder moeite tussen de spijlen doorgestapt. Papa gans rende heen en weer maar vond geen enkele opening die groot genoeg voor hem was; het leek of hij totaal vergeten was dat hij kon vliegen!

Toen de babies vonden dat ze genoeg hadden gezwommen en nu wel een lekker hapje gras wilden gaan halen bij vader, liepen ze gewoon weer door de openingen heen en lieten moeder achter aan de andere kant, en die begon toen langs het hek te rennen zonder dat ze erdoor kon. Soms zagen mijn man en ik de hele familie samen zwemmen in de vijver, maar hoe ze dan bij elkaar gekomen waren vonden we nooit uit. Wel zagen we iedere keer weer hoe zowel moeder als vader blijkbaar vergeten waren dat zij de macht hadden om te vliegen. Zij bleven zo dicht mogelijk bij hun kleintjes op de grond in hun poging om ze voortdurend te beschermen.

Dit schouwspel bracht me ertoe mijzelf af te vragen hoe het gesteld was met mijn gebeden. Bleef ik op de grond en probeerde ik mijn weg te vinden tussen een beklemmende reeks sterfelijke overtuigingen, terwijl ik mijn vleugels moest uitslaan en vliegen? Of had ik nu de mogelijkheid al om op te stijgen, en kon ik vertrouwen op vleugels die sterker waren dan ik tot nu toe had ervaren in mijn gebruik ervan? Was het de twijfel aan mijn eigen mogelijkheden die me in de weg stond?

Ik herinnerde me iets gelezen te hebben in Wetenschap en Gezondheid met Sleutel tot de Heilige Schrift, dat ging over het gebruik van onze vleugels. Mary Baker Eddy schrijft: “De Wetenschap openbaart dat het mogelijk is al het goede te volbrengen en zet stervelingen aan het werk om te ontdekken wat God reeds heeft gedaan; maar gebrek aan vertrouwen in ons vermogen om de begeerde goedheid te verwerven en betere en hogere resultaten te bereiken, belemmert dikwijls onze poging om onze vleugels uit te slaan en maakt van de aanvang af mislukking onvermijdelijk” (blz. 260). Wow! Zou ik echt mijn eigen mislukking “van de aanvang af” als onvermijdelijk willen zien?

Ook dacht ik na over de betekenis van “vermogen”. Was mijn vermogen dat van een beperkt sterveling? Als dat het geval was dan zou ik een beperkt vermogen hebben om “de begeerde goedheid” te verwerven. Ik wist echter dat al mijn vermogens als kind van God, het beeld en de gelijkenis van het ene volmaakte Gemoed, van Hem afkomstig zijn. Deze gedachte gaf mij onmiddellijk kracht. Ik zag in dat God mijn wieken van gebed kracht gaf. Het was God die mij heerschappij gaf. Ik was dan misschien nog wel in de beginfase om dat aan te tonen, maar ik kon zeker alvast mijn vleugels uitslaan, verder dan ooit tevoren doordringen in gebed, en me opgeheven voelen door de Christus. Ik dacht aan een andere uitspraak in Wetenschap en Gezondheid: “Verhef u in de kracht van Geest en weersta alles wat ongelijk is aan het goede. God heeft de mens hiertoe in staat gesteld en niets kan afbreuk doen aan de macht en het vermogen, die de mens van Godswege zijn geschonken” (blz. 393). En daar was het weer: Mijn vermogen om mij in de kracht van Geest te verheffen, kwam regelrecht van God Zelf, en niets kon afdoen aan de kracht van dit Godsgeschenk.

Met behulp van deze bemoedigende gedachten begon ik toegewijder te bidden, en met een groter vertrouwen dat mijn vermogen om te bidden ondersteund werd door God, de enige macht en waarheid die er is. Door mijn vleugels te gebruiken werden zij sterker. Mijn gebeden begonnen te veranderen, en veranderen nog steeds. Ik begreep beter dat mijn oprechte pogingen om God de eerste plaats te geven in mijn gedachten, belangrijker waren dan de omvang van mijn gebed of de aanhalingen die ik mij kon herinneren. Je zou kunnen zeggen, ik begon te leren God de leiding te geven in deze conversatie.

Ik legde een gebed-logboek aan. Niet dat ik er iedere dag in schreef, maar het deed goed dienst als een uiteenzetting van “wat God reeds heeft gedaan”, en doet, en altijd zal doen.

Na enige maanden gebeden te hebben, besefte ik de noodzaak voor meer nederigheid, vooral waar het een bepaalde relatie betrof. In die tijd kwam ik in opstand tegen de pijn en redeneerde dat er wellicht veel mensen waren die hetzelfde probleem hadden als ik, maar op dat moment geen pijn hadden. Dat leek me niet eerlijk! Ik zag echter in dat deze gedachte alleen maar een nieuwe gelegenheid aanreikte om mijn “vleugels van gebed” uit te spreiden en hoger te stijgen. Bleef ik bij deze stoffelijke opvatting van het bestaan, of verhief ik mij “in de kracht van Geest” en vloog over het hek van zelfrechtvaardiging? Dit was werkelijk mijn kans, en die had niets te maken met wat iemand anders had uit te werken.

Het antwoord was duidelijk. Ik moest mentaal knielen (zoals in Mattheus 26:36-39 wordt aangegeven dat Jezus deed in het hof van Gethsémané) om op te stijgen in gebed. Ik was nu gewillig om alles te doen wat God wilde dat ik doen zou, Hem de eerste plaats te geven, en mijn idee over wat wel of niet juist was, naar de achtergrond te verhuizen. En raad eens wat er gebeurde? De pijn begon te verdwijnen.

Deze genezing gebeurde niet meteen, maar in het jaar dat volgde kreeg ik meer en meer vrijheid. Mijn voortdurend gebed hield nu de erkenning in dat God de enige ware kracht was in mijn leven, en in het leven van ieder ander. Op een dag realiseerde ik me dat datgene wat het vorige jaar zo werkelijk en substantieel had geleken, geen deel meer was van mijn bestaan. De pijn (die fysiek had geleken, maar in wezen mentaal was) was helemaal verdwenen en ik kon vrij en normaal leven. Het beste was nog wel dat er harmonie heerste in plaats van meningsverschil. Ik was vooral erg dankbaar dat ik in plaats van de kerkdienst te moeten verlaten voordat hij was afgelopen omdat ik me zo ellendig voelde, ik nu vrij en blij de hele dienst kon bijwonen. Ik kon weer wandelingen maken, de dingen doen die gedaan moesten worden in huis, met vrienden en voor de kerk.

Onlangs las ik een uitspraak in Wetenschap en Gezondheid, die een bemoediging had kunnen zijn voor dat gefrustreerde ganzenpaar: “Als u uw blik op de bovenaardse werkelijkheden gevestigd houdt, zult u tot de geestelijke bewustheid van het zijn opstijgen, als een vogel, die uit het ei is gekropen en zijn vleugels gladstrijkt om hemelwaarts te vliegen” (blz. 261). De olie van Liefde zal geheel doordringen in onze “vleugels van gebed” als we ze gladstrijken en voorbereiden om hemelwaarts te stijgen door het besef van Gods liefde voor ons. Dit gebed geeft ons kracht, zegent onze gedachten en maakt ze ontvankelijk voor de genezing die zeker komen zal.

En waar zijn de ganzenbabies? Ze zijn opgegroeid en opgestegen. Nu is de wolkenhemel hun ware koninkrijk, en de afrastering is allang vergeten. Zo zullen ook wij onze afrasteringen vergeten wanneer we ons verheffen en claimen dat Gods kracht onze vleugels van gebed versterkt om “hemelwaarts te vliegen”.


Laura Remmerde woont in Bend, Oregon, VS.

The Mission of the Herald

In 1903, Mary Baker Eddy established The Herald of Christian Science. Its purpose: "to proclaim the universal activity and availability of Truth." The definition of "herald" as given in a dictionary, "forerunner—a messenger sent before to give notice of the approach of what is to follow," gives a special significance to the name Herald and moreover points to our obligation, the obligation of each one of us, to see that our Heralds fulfill their trust, a trust inseparable from the Christ and first announced by Jesus (Mark 16:15), "Go ye into all the world, and preach the gospel to every creature."

Mary Sands Lee, Christian Science Sentinel, July 7, 1956

Learn more about the Herald and its Mission.