Skip to main content Skip to search Skip to header Skip to footer

Doelwit buiten schot

De Christian Science Heraut - 1 februari 2011

Christian Science Sentinel, 10.15.1955


Een Christian Science practioner werd verzocht bij iemand thuis te komen die in nood verkeerde. De betreffende persoon was voorlezer in een Christian Science dochterkerk.  Zij was ervan overtuigd dat dit feit haar tot doelwit had gemaakt van de haat van het sterfelijk gemoed voor Waarheid. De practitioner leek niet in staat haar tot andere gedachten te brengen. Ten slotte zei de practitioner: “Wel als je een doelwit wilt zijn, ga je gang. Maar in ‘s hemelsnaam, zorg dat je buiten schot blijft.

Een doelwit dat buiten schot is! Wat een verschiet opent zich. Buiten schot zijn betekent buiten bereik zijn, ver verwijderd van de beperkte reikwijdte van de pijlen van de aanvaller. Een vogel hoeft zijn vleugels maar uit te spreiden om naar azuren hoogtes te stijgen om buiten schot van de scherpschutter te zijn.

Kunnen wij niet net zo ongeketend en vrij zijn als een vogel? Natuurlijk kunnen we dat. Mary Baker Eddy, de grondlegster van Christian Science, spreekt in Wetenschap en Gezondheid met Sleutel tot de Heilige Schrift over de inherente vrijheid van de mens. Zij schrijft: “Vroeg of laat zullen wij inzien, dat de boeien die de mens in de eindigheid van zijn kunnen gekluisterd houden, gesmeed worden door de waanvoorstelling, dat hij in het lichaam in plaats van in Ziel leeft, in de stof in plaats van in Geest” (blz. 223). Boeien gesmeed door waanvoorstellingen zijn illusies en geen werkelijkheden. 

Christus Jezus vond zijn veiligheid door zijn geestelijke wezen te claimen. In het evangelie van Lukas wordt verteld dat toen hij onderricht gaf in de synagoge, zijn toehoorders in grote woede ontstaken. Ze sprongen op, wierpen hem de stad uit en brachten hem naar de rand van de afgrond om hem daar in te storten. Maar hij liep tussen de woeste menigte door en vertrok, onverstoord in zijn genezende werk. Ze konden hem zelfs niet zien. Hij voorspelde dat degenen die in hem geloofden, de werken konden doen die hij deed en zelfs meer dan dat, “want ik ga heen tot mijn Vader” (Joh. 14:12). Mary Baker Eddy zegt hierover: “De ‘ik’ gaat naar de Vader wanneer nederigheid, reinheid en liefde, kenbaar gemaakt door de goddelijke Wetenschap, de Trooster, naar de ene God leiden, en de ego gevonden wordt, niet in de stof maar in Gemoed, want er is slechts één God, één Gemoed; en de mens zal dan geen gemoed claimen dat van God gescheiden is” (Miscellaneous Writings, blz. 195-196).  

Zolang wij onszelf identificeren als een persoon met beperkingen die door andere personen is aangewezen bepaalde functies te bekleden of bepaalde taken uit te voeren in de Christian Science beweging, zolang stellen we ons zelf bloot om doelwit te worden, het ingebeelde slachtoffer van haat, jaloezie, bedrog en hypnotische invloeden. Vaak volgen dan verzet en kritiek, ontmoediging en incompetentie in deze reeks van verkeerde opvattingen. Maar het sterfelijk gemoed reikt nooit verder dan zichzelf. Het ziet zichzelf, zijn eigen waanideeën, het veroordeelt zichzelf en vernietigt zichzelf. Noch God noch de werkelijke mens is ooit binnen het bereik van materialisme. 

Agressieve mentale suggesties kunnen ons influisteren: “Je bent een sterveling. Ik, het kwaad, kan je bang maken, ziek maken, je afmatten en uitputten. Ik kan je karakter en integriteit belasteren, en anderen er toe brengen deze leugens  rond te strooien. Ondanks je beste pogingen, kan ik je een onbekwaam, onzeker, ongeliefd en ongelukkig gevoel geven.” Of de agressieve suggestie kan met luide stem uit zelfrechtvaardiging en onder het mom van onze eigen gedachten, verkondigen: “Ik ben belangrijk. Ik wil erkenning. Ik wil mijn eigen weg gaan en ben van plan mijn eigen wil door te drijven.” Maar noch zelfminachting noch eigenroem is werkelijk, en de alerte Christian Scientist laat zich door geen van beide gebruiken. Hij geeft dwaling niet de kans om tweedracht, verdeeldheid of gebrek aan loyaliteit binnen onze beweging te zaaien. Hij staat zichzelf niet toe misleid te worden door gebrek aan wijsheid, egoïstische arrogantie of een verkeerd idee van martelaarschap. Zijn zekerheid ligt in God, en niemand kan hem van zijn vreugde beroven. 

Als we er eens over nadenken, waar zijn we veiliger, meer geliefd en gewaardeerd dan in dienst van onze Schepper? Waar kunnen we beter de hernieuwing van Leven, de kracht van Waarheid, de bemoediging van Liefde voelen? Laat “nederigheid, reinheid en liefde, kenbaar gemaakt door de goddelijke Wetenschap”, ons reinigen van het zelfingenomen geloof dat we een sterveling zijn, en ons denken verheffen boven de stof naar Geest. Dan zullen we in ware ootmoed Gemoed erkennen als de Ego, de Ik van ons wezen, en beter de uitspraken van de Meester begrijpen: “Die van boven komt, is boven allen” (Joh. 3:31); “De Vader, Die mij gezonden heeft, Die heeft Zelf van mij getuigd” (Joh. 5:37); “Ik en de Vader zijn één” (Joh. 10:30).

In het onbesmette rijk van Geest en vanuit het standpunt van Gods alheid, ontvouwt zich het levenswerk van de mens als de subjectieve ervaring van het goddelijk Gemoed. Ziel openbaart haar eigen pracht en glorie, Liefde haar eigen vrede en waardigheid. In de Wetenschap weerspiegelt de mens God en is vrij, ongehinderd en onbeperkt. Hij is niet gebonden aan plaats en tijd, daarom kan hij niet op verkeerde wijze beïnvloeden of beïnvloed worden. Leven brengt haar eigen volledige, vrije stroom van stralend Leven tot uitdrukking, en de mens is de weerspiegeling hiervan. Daarom verheugt de mens zich in het onbeperkte vermogen van zijn Godgegeven wezen, en is niet onderhevig aan toevalligheden, levensduur of verval.

God heeft nooit een strafwet gemaakt, noch heeft hij de mens onderhevig aan straf gemaakt. Gods wet is de wet van vrijheid, de wet van rechtvaardigheid, de wet van Liefde. Mary Baker Eddy zegt in Wetenschap en Gezondheid met Sleutel tot de Heilige Schrift: “Het zogenaamde sterfelijk gemoed – dat geen bestaan heeft en dus niet binnen het gebied van het onsterfelijk bestaan ligt – kan de goddelijke schepping niet, door zich als goddelijke macht voor te doen, omkeren en daarna personen of dingen volgens zijn eigen plan opnieuw scheppen, aangezien er niets bestaat buiten het gebied van de alomvattende oneindigheid, waarin en waarvan God de enige Schepper is.” En, voegt zij eraan toe: “Vreugdevol in kracht, verblijft Gemoed in het rijk van Gemoed” (blz. 513-514). 

Dit feit doet ons realiseren dat wij inderdaad een doelwit buiten schot zijn – geen doelwit dus – want er bestaat niets anders dan de eeuwige alomvattendheid van eeuwigdurende Liefde, en de mens verblijft in het bewustzijn van Liefde als de eeuwige uitdrukking van de volmaaktheid en onverstoorde harmonie van Gemoed.

Duisternis dringt nooit binnen in licht, maar licht verdrijft duisternis. In licht is alles, zonder onderbreking, altijd licht. Laten wij In “ootmoed, reinheid en liefde, kenbaar gemaakt door de goddelijke Wetenschap” zien dat de “ik” naar de Vader gaat – in werkelijkheid altijd één is met de Vader – en laat ons dus onszelf zien als de waarachtige uitstraling van Zijn aanwezigheid.

The Mission of the Herald

In 1903, Mary Baker Eddy established The Herald of Christian Science. Its purpose: "to proclaim the universal activity and availability of Truth." The definition of "herald" as given in a dictionary, "forerunner—a messenger sent before to give notice of the approach of what is to follow," gives a special significance to the name Herald and moreover points to our obligation, the obligation of each one of us, to see that our Heralds fulfill their trust, a trust inseparable from the Christ and first announced by Jesus (Mark 16:15), "Go ye into all the world, and preach the gospel to every creature."

Mary Sands Lee, Christian Science Sentinel, July 7, 1956

Learn more about the Herald and its Mission.