Skip to main content

De reuk van het vuur

De Christian Science Heraut - 1 Juni 2010

The Christian Science Journal, 3.1920


Er is waarschijnlijk geen verhaal dat dichter aan het hart van Christian Scientisten ligt dan dat van de drie jonge Hebreeuwse gevangenen die verlost werden van Nebukadnézars vurige oven (zie Daniël 3). Dit verhaal is ons inderdaad zo bekend, zelfs aan hen die tot nu toe oppervlakkige lezers van de Bijbel waren, dat ik het hier niet hoef te herhalen. Er is echter één punt dat, hoewel er vaak over is nagedacht, van speciale interesse is voor een Christian Scientist. Namelijk, nadat Sadrach, Mesach en Abéd-Nego eindelijk bevrijd waren, niet alleen het haar op hun hoofd niet geschroeid was en hun kleding niet verbrand, maar dat zelfs “de reuk van het vuur daardoor niet gegaan was.”

“De reuk van het vuur”,  dat is waar de persoon die tracht de Bijbel in zijn ware geestelijke betekenis en belang te begrijpen, zal willen blijven stilstaan; want wat is, metafysisch gesproken, de reuk van het vuur? Is het niet de herinnering eraan, de pijn, de wrok? “De reuk van het vuur” is de erkenning dat er iets kwaads gebeurd is. Het betekent dat het kwaad een geschiedenis heeft. Het betekent dat, hoewel het vuur nu uit is, het eens brandde, en dat wij erin waren. Dit laatste argument lijkt zich zodanig in ons bewustzijn te hebben vastgezet, dat sommigen door het vuur zijn gegaan en iedereen nog jarenlang de brandlucht kan ruiken die om hun heenhangt. Als dit het geval is, kan dan gezegd worden dat wij, zoals die drie van lang geleden, onaangetast door de ervaring zijn heen gekomen?

Laten we weigeren te geloven dat het kwaad zichzelf op welke manier dan ook, aan ons kan vasthechten. De claim dat het eens gebeurde, aanwezig was, macht, oorzaak en intelligentie had of  wettelijke aanspraak kon maken, is een valse claim en dient gezien te worden als de laatste wanhopige poging van het kwaad, nadat alle eerdere pogingen mislukt zijn, om zichzelf te handhaven als een herinnering. Laten we weigeren om het bestaansrecht te geven, zelfs als een herinnering. Laten we weigeren toe te geven dat het kwaad ooit een begin of een einde had. Laten we weigeren  aan te nemen dat het er ooit was, zelfs niet voor een seconde. Dit betekent overigens niet dat we onze dankbaarheid voor onze verlossing van het geloof in dwaling, niet zouden uiten, op de juiste tijd en de juiste plaats, met het zuivere verlangen iemand anders te helpen die misschien door eenzelfde ervaring gaat. Het betekent slechts dat het niet bevordert dat de “reuk van het vuur” van onze kleren verdwijnt als we de herinnering met ons meedragen, er onnodig heimelijk over broeden, er onnodig over praten met anderen, en er een melancholisch behagen in scheppen de onaangename details op te sommen.  Zou de brandlucht hierdoor iedere dag een beetje minder worden?

In de strijd die geheel geestelijk is, hebben we geen oudgedienden nodig die met vergeeflijke trots hun littekens laten zien, omdat, als de strijd op de juiste manier is gevochten, er geen littekens zijn om te vertonen. “Beproevingen zijn een bewijs van Gods zorg” wordt ons verteld in Wetenschap en Gezondheid met Sleutel tot de Heilige Schrift van Mary Baker Eddy (blz. 66), en het is beslist niet in overeenstemming met de aard van Liefde dat, als er een bewijs van Gods tedere zorg is ontvangen,  de beproeving een blijvend stempel van ondergaan lijden in ons schroeit. Gods wegen zijn pijnloos, moeiteloos, lieflijk en natuurlijk. Het is alleen onze opstandigheid de lessen te leren die we nodig hebben, die lijden veroorzaakt. Schoolkinderen lijden niet en hebben de rest van hun leven littekens omdat ze van de kleuterschool naar de eerste klas van het basisonderwijs gaan. Laten we weigeren Christian Scientisten met littekens te zijn.  Er is geen reden voor. Laten we gewoon Christian Scientisten zijn die hun lessen hebben geleerd en naar een hoger niveau zijn gestegen.

Wat echter in de meeste gevallen “de reuk van het vuur” vasthoudt, is zelfmedelijden. We hebben zo’n medelijden met onszelf dat we daarmee anderen aanmoedigen ons te beklagen, want het faalt vrijwel nooit dat men ontvangt waarvoor men adverteert. Jezus zei: “de overste der wereld komt, en heeft aan Mij niets” (Joh. 14:30). Als de “overste der wereld” zich presenteert aan de deur van het menselijk bewustzijn, kan hij zich geen toegang verschaffen tenzij er iets in dat bewustzijn aanwezig is dat met hem sympathiseert. Hij kan keer op keer aankloppen, maar als hij geen antwoord krijgt, geeft hij het op. Er is een grens aan de pogingen van zelfs de meest volhardende leugen om aan een deur te kloppen die resoluut gesloten en vergrendeld is. Laten wij de dwaling uitputten inplaats dat de dwaling ons uitput.

Wat betreft het medelijden van anderen, er zijn weinig dingen dommer en afstompender dan het mesmerisme van medelijden. Menselijk medegevoel heeft de neiging zijn slachtoffer te wurgen in de pythongreep van wat het schaamteloos “liefde” noemt. Onder de invloed daarvan is soms de veelgeprezen moederliefde ontaardt in versmorende liefde.  Toch kan het ons vaak onbewust naar beneden halen, omdat dat facet van het kwaad het moeilijkst te bespeuren valt, namelijk, het kwaad onder de mom van het goede, en dat overrompelt Christian Scientisten makkelijker dan iets anders in de wereld. Het kwaad dat in de naam van kwaad komt vecht openlijk. We zien het in al zijn afzichtelijke vormen, herkennen het en nemen onze maatregelen navenant; maar het kwaad dat gehuld in hemelse gewaden in de naam van het goede komt,  presenteert zich aan de wachter in zijn gestolen uniform, geeft het wachtwoord “liefde” en sluipt ongemerkt het kamp binnen.

Een van de beste remedies tegen zelfmedelijden, zouden we ooit de neiging hebben ons erin te wentelen, wordt gegeven door Mary Baker Eddy in Miscellaneous Writings: “Gij zult uzelf uitsluitend zien als het geestelijk kind van God, en de ware man en ware vrouw, de geheel harmonische ‘man en vrouw’  van geestelijke oorsprong, als Gods gelijkenis – dus als kinderen van dezelfde Ouder, -waarin en waarbij Vader, Moeder en kind het goddelijk Beginsel en goddelijk idee zijn, het goddelijk ‘Ons’ – één in het goede, en het goede in Eén.” (blz. 18) Deze geïnspireerde uitspraak rukt zonder twijfel ogenblikkelijk het masker af van de dwaling en laat hem achter,  verschrompeld en beschaamd voor Waarheid; want als wij onszelf eenmaal in onze ware identiteit en aard zien, wat is er dan nog om medelijden mee te hebben of beklaagd over te worden? Is “Gods geestelijke kind” ooit een object van beklag? Zijn we stervelingen of onsterfelijken? We kunnen natuurlijk aan onszelf blijven denken als stervelingen als we dat willen. Niemand zal ons dat beletten; en het sterfelijk gemoed zal ons met plezier aanmoedigen in deze waanvoorstelling. Ons valse zelfbeeld en de verkeerde opvatting die de wereld van ons heeft, kan echter nooit voor één seconde het eeuwige feit: “nu zijn wij kinderen Gods”  veranderen (1 Joh. 3:2).

Er is echter nog iets anders naast zelfmedelijden dat er toe bijdraagt “de reuk van het vuur” gaande te houden en dat is zelfveroordeling. Elk van deze is op zichzelf al erg genoeg, maar als ze hand in hand gaan, wat vaak voorkomt, dan kunnen we net zo goed weer de brandende oven instappen en er een poosje langer vertoeven, want de bewijzen zijn nog niet geleverd. Klinkt dat ontmoedigend? Aanvankelijk misschien wel, maar als we ons aan de waarheid houden en elkaar lief hebben, zoals de apostel  het zo prachtig uitdrukt, kan niemand er werkelijk slechter van worden (zie Efez. 4:15 NBV). Laten we waakzaam zijn voor het dwaalbegrip van zelfveroordeling. Zoals zijn geliefde kornuit zelfmedelijden, gaat zelfveroordeling er ook vanuit dat het kwaad een verleden heeft, en dat wij ermee geïndentificeerd zijn. Het verleidt ons eerst listig tot de erkenning dat er een brandende oven is “zevenmaal meer heet gemaakt dan men die pleegt heet te maken” speciaal voor ons gebruik. Als dit eenmaal is vastgesteld, volgt het argument dat wij er in zijn geweest, en dat we er eindelijk uit zijn gekomen, maar niet zo vlug, noch zo gunstig of opzienbarend als we nu zouden willen dat we gedaan hadden, of zoals ieder ander gedaan zou hebben onder dezelfde omstandigheden.

Laten we ieder argument afwijzen dat een geloof in een stoffelijk verleden bestendigt. Nakaarten over dwaling is stilzwijgend toegeven dat het eens werkelijk was. Waarom zouden we “hetgeen achter is”, zoals de apostel het noemt, niet vergeten en uitreiken naar datgene wat voor ons ligt (Filipp. 3:14)? Laten we de deur sluiten voor veroordeling, zowel van binnenuit als van buitenaf. Wat andere mensen zeggen over onze ervaring doet er weinig toe zolang God beter weet. Tenzij degenen die nu kritiek hebben naast ons stonden gedurende de tijd dat we in de hete oven verbleven, hebben zij geen enkel recht te oordelen over de hitte van het vuur.

Zou het niet fantastisch zijn als iedereen die ooit door een vuurproef is gegaan er ongeschonden uitkwam met opgeheven hoofd en glanzende ogen, met grotere liefde voor God en de mens, diepere dankbaarheid, een sterker geloof; en met toegenomen naastenliefde en begrip voor de fouten en strijd van de zwakken en vermoeiden van de wereld? Wat zouden deze gezuiverden een uitnemend gezelschap zijn als zij in stilte hun weg gingen onder ons, vredig, verheven, ootmoedig, hun gezicht nog steeds stralend van vreugde over de demonstratie!

Aangezien onze leidsvrouw, Mary Baker Eddy, ons vertelt dat “alleen diegenen die beproeft zijn in het vuur de gelijkenis van hun Vader weerspiegelen” (Miscellaneous Writings, blz. 278), zullen we dan zelfs ooit terugkijken op een dergelijke ervaring met iets anders dan dankbaarheid? “Geliefden”, schreef de apostel Petrus uit de diepte van zijn persoonlijke ervaring, “houdt u niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwam; maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, alzo verblijdt u; opdat gij ook in de openbaring van zijn heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen ... want  de Geest der heerlijkheid en de Geest van God rust op u” (1 Petr. 4:12-14).

“De Geest der heerlijkheid en de Geest van God”! Is het niet een beetje de moeite waard, of indien nodig, immens veel inspanning waard om die Geest te veroveren? Laten we nooit vergeten dat het daar midden in het vuur gebeurde dat de gevangen jongelingen van lang geleden, het verschijnen van de Christus zagen. Door de uiterste nood van het moment rezen zij tot een mentale hoogte en zagen de mens zoals hij in werkelijkheid is, geestelijk en niet stoffelijk, en zij zagen dit reddende feit zo duidelijk dat zelfs de blinde ogen van Nebukadnézar er door geopend werden. “Hebben wij niet drie mannen in het midden van het vuur, gebonden zijnde, geworpen?” riep hij verbaasd uit; “Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden van het vuur, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante van de vierde is gelijk aan die van de Zoon van God.”

Die hemelse glans van de goddelijke werkelijkheid, het duidelijke inzicht in de werkelijke mens, “de Zoon van God”, wordt niet zo gauw gezien als alles voor de wind gaat, als in tijden van beproevingen, wanneer de aanval van het dierlijk magnetisme het hevigst is om de Christus-idee in ons te vernietigen. Laten we ons dus verheugen dat we de visie hebben veroverd, zelfs al gingen we ervoor door rampspoeden; want als “de gedaante van de vierde” eenmaal gezien is, kunnen we die nooit meer vergeten, noch kunnen we ooit terugkeren naar de staat, voorafgaande aan het wonder en de glorie ervan. Dus, het vuur gaat uit, de stadhouders, overheden, landvoogden, en raadsheren van de koning vertrekken in verbijsterde woede; Nebukadnézar geeft een verklaring uit, “er is geen andere God  die alzo verlossen kan”, en zij die hadden ervaren dat “het vuur over hun lichamen niet geheerst had”,  gaan rustig hun eigen weg.

Als de demonstratie volmaakt, scherp omlijnd, blijvend en overtuigend is, zal hij die net  bevrijd is, zeggen wanneer hem gevraagd wordt naar zijn ervaring - en als hij de waarheid spreekt en ervan overtuigd is, kan hij er absoluut zeker van zijn dat zelfs “de reuk van het vuur” verdwenen is: “Was het moeilijk? Ik weet het niet. Het gezicht was zo meeslepend dat ik al het andere vergeten ben.”

The Mission of the Herald

In 1903, Mary Baker Eddy established The Herald of Christian Science. Its purpose: "to proclaim the universal activity and availability of Truth." The definition of "herald" as given in a dictionary, "forerunner—a messenger sent before to give notice of the approach of what is to follow," gives a special significance to the name Herald and moreover points to our obligation, the obligation of each one of us, to see that our Heralds fulfill their trust, a trust inseparable from the Christ and first announced by Jesus (Mark 16:15), "Go ye into all the world, and preach the gospel to every creature."

Mary Sands Lee, Christian Science Sentinel, July 7, 1956

Learn more about the Herald and its Mission.