Skip to main content Skip to search Skip to header Skip to footer

Leven in Gods ondersteunende liefde, nooit in onzekerheid

Niets kan ons beroven van ons geestelijk geboorterecht, van de onherroepelijke identiteit en van het burgerschap dat we allemaal gemeen hebben. 

De Christian Science Heraut - 23 september 2026

Oorspronkelijk gepubliceerd in de 17 augustus 2026 editie van de Christian Science Sentinel


Veel in ons leven wordt bepaald door onze geboorteplaats en ons burgerschap. In de wereld van vandaag bepalen deze factoren welke rechten we kunnen uitoefenen, inclusief waar we mogen wonen. Maar wanneer instellingen of extrerne omstandigheden onze rechten in opspraak brengen of niet erkennen, lijkt het alsof ze ons leven in onzekerheid kunnen brengen.

Hebben we dan nog een uitweg naar stabiliteit en geluk – toegang tot en het vermogen om onze individuele vrijheden te claimen en terug te winnen?

Christian Science leert ons van wel. Het bestuderen van deze Wetenschap verheft ons denken naar een hogere, geestelijker basis, waar we inzien dat onze ware identiteit inherente vrijheden en individuele rechten omvat, die van God, de goddelijke Geest, komen. Wanneer we beseffen, dat deze rechten hun oorsprong vinden in Geest, worden ondersteund door de geestelijke wet en daarom onaantastbaa zijn, zijn we in staat onze aangeboren geestelijke heerschappij uit te oefenen om aanspraak te maken op die door God gegeven rechten.

Ik leerde dit een tijdje geleden. Toen ik eenentwintig werd, werd mijn verkregen staatsburgerschap als gevolg van een consulaire fout ingetrokken, waardoor ik zeven jaar lang staatloos was. De situatie werd verergerd door het feit, dat ik in veel verschillende landen had gewoond. Sterker nog, ik was slechts drie maanden oud toen ik de Indische Oceaan overstak en mijn geboorteland permanent verliet. Tegen de tijd dat ik zeven werd, was ons gezin al vijf keer verhuisd. Hoewel het verlies van mijn staatsburgerschap mijn gevoel van onafhankelijkheid, stabiliteit, veiligheid, kansen en identiteit in gevaar bracht, zette het er mij ook toe aan om dieper na te denken over wat deze essentiële zaken mogelijk maakt en ze bestendigheid geeft in ons leven.

Christus Jezus is het voorbeeld voor christenen, dus was hij voor mij vanzelfsprekend een bron van inspiratie. Hij twijfelde geen moment aan zijn geestelijke identiteit en goddelijke afkomst. Hij moedigde al zijn volgelingen aan om God, het goede, te erkennen als hun altijd aanwezige Vader en gids, als de hoogste autoriteit en als degene die zeggenschap heeft over alles. Toen de wereld Jezus behandelde als een bedrieger in plaats van als de voorspelde Messias, bleef zijn toewijding aan zijn genezingsmissie onwankelbaar, omdat hij wist dat hij Gods Zoon was, door Hem gezonden om de Verlosser van de wereld te zijn.

Terwijl hij het evangelie verkondigde, legde Jezus vaak lange afstanden te voet af, van stad naar stad, waarbij hij afhankelijk was van de gastvrijheid van zijn volgelingen voor een rustplaats. Hoewel hij geen vaste verblijfplaats had, wist hij, dat hij leefde in harmonie met de goddelijke Geest, de ene God. Zoals de Bijbel over God zegt: “In Hem leven wij, bewegen wij ons en bestaan wij“ (Handelingen 17:28). 

Het effect van Jezus’ ongeëvenaarde geestelijk inzicht was, dat hij hier op aarde de geestelijke vrede en geborgenheid van dit goddelijk toevluchtsoord voelde. Zijn wonderbaarlijke genezingen berustten op de wetenschap, dat elk van Gods kinderen in de harmonie van Geest leeft, door God erkend wordt en de onvervreemdbare vrijheden en rechten bezit, die inherent zijn aan iedereen als nakomelingen van God.

Toen ik bad om dit zelf te mogen zien, vond ik een prachtige belofte voor de mensheid in deze woorden uit het leerboek van Christian Science: “Eén oneindig God, het goede, verenigt mensen en volken; vormt de broederschap der mensen; maakt een einde aan oorlogen;  doet het Schriftwoord in vervulling gaan: ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf’; doet heidense en christelijke afgoderij teniet;— al wat verkeerd is in maatschappelijke, burgerrechtelijke, strafrechtelijke, staatkundige en kerkelijke wetten; brengt gelijkstelling der seksen; heft de vloek op, die op de mens rust, en laat niets over, dat kan zondigen of lijden, dat gestraft of vernietigd kan worden” (Mary Baker Eddy, Wetenschap en Gezondheid met de Sleutel tot de Heilige Schrift, blz. 340).  Na herhaalde vruchteloze pogingen in de afgelopen zeven jaar om het onrecht van mijn staatloosheid recht te zetten, stelden mijn gebeden mij in staat een sluipend gevoel van wanhoop te overwinnen.

We zijn geen geïsoleerde of eenzame stervelingen en bevinden ons nooit in een onzekere situatie of worden nooit hulpeloos aan ons lot overgelaten.

In het vertrouwen dat de enige God het hoogste gezag heeft en het onrecht zou rechtzetten, voelde ik me geïnspireerd om contact op te nemen met de diplomatieke autoriteiten in het land waar ik woonde. Dit leidde ertoe dat zij een administratieve fout ontdekten en mijn staatsburgerschap werd onmiddellijk hersteld.

Later ontving ik een officiële verontschuldiging en een aanbod tot financiële compensatie van de overheid, waarin werd opgemerkt dat mijn zaak ongehoord was. Maar ik heb dit aanbod afgewezen, omdat ik niet wilde accepteren, dat een door mensen opgerichte instelling werkelijk controle zou kunnen uitoefenen over mijn leven en mijn bewegingsvrijheid. Ik voelde heel concreet, dat alleen God mij leidde en bestuurde en dat de jaren van staatloosheid – inclusief de tijd in een detentiecentrum op de luchthaven en de dreiging van uitzetting – bovenal jaren waren geweest van geestelijke  activiteit, groei en een steeds dieper begrip van mijn ware afkomst als kind van God. Hoewel ik me wettelijk aan de vereisten van het immigratiebeleid hield, was het me duidelijker geworden, dat mijn identiteit niet wordt bepaald of beperkt door een staatsbureaucratie of een persoonlijke geschiedenis en dat mijn door God gegeven levensmissie niet kon worden gedwarsboomd.

De Bijbel geeft voorbeelden van hoe dit prachtige geestelijke feit op alle mensen van toepassing is. Zo kreeg de profeet Elia tijdens zijn zending te maken met talrijke bedreigingen. Op een gegeven moment, toen hij zich volkomen alleen en verslagen voelde, ging hij wanhopig onder een boom zitten en vroeg hij God om zijn leven te beëindigen (zie 1 Koningen 19). Geïnspireerd door God om naar de berg Horeb te gaan, werd hij geconfronteerd met een woeste wind, een aardbeving en een vuur. Na deze turbulente gebeurtenissen vermeldt de Bijbel, dat God niet in de aardbeving, de wind of het vuur was. Net als het verhaal, “verteld door een dwaas” in Shakespeare’s Macbeth, waren ze “vol geraas en getier, maar zonder enige betekenis.”

Op dat moment hoorde Elia “een stille, zachte stem” – het zachte, heldere, onveranderlijke Woord van God, dat hem geestelijk bemoedigde en versterkte. Hij besefte dat God, de goddelijke Geest, de leiding had, de enige heersende macht was en dat zijn missie niet kon mislukken. Met hernieuwde kracht ging Elia verder om dit onweerlegbaar te bewijzen.

De Bijbel, een goudmijn aan inspirerende verhalen en waarheden, benadrukt keer op keer hoe alomvattend en onoverwinnelijk Gods liefde voor Zijn kostbare schepping is. Hij vertelt ons, dat we zoveel meer zijn dan wat de fysieke zintuigen waarnemen. Wij zijn geheel geestelijk, behoren onlosmakelijk en onafscheidbaar toe aan God. Wij zijn geen geïsoleerde of eenzame stervelingen en bevinden ons nooit in het ongewisse of worden nooit hulpeloos aan ons lot overgelaten. Het feit dat wij aan God toebehoren en eeuwig leven in de stabiliteit, veiligheid en welvaart van Zijn koninkrijk, berust op een onveranderlijke wet, of goddelijk Beginsel – op de onbetwistbare waarheid, dat een idee van God niet kan worden losgemaakt van Geest, die het voortbrengt en de enige is die ieder van ons onze identiteit geeft.

We voelen ons veilig – en zijn dat ook – wanneer we ons op deze geestelijke realiteit baseren. Als we ons van ganser harte tot Geest wenden, zien we dat niets ons kan beroven van ons geestelijk geboorterecht, de onaanvechtbare  identiteit, en het burgerschap, dat we allemaal gemeen hebben – met andere woorden, datgene wat God ons heeft geschonken. We zijn allemaal de door God erkende begunstigden van Gods goedheid, die onze onbetwistbare waarde en bestemming bepaalt en verdedigt.

De missie van de Heraut

In 1903 stichtte Mary Baker Eddy De Christian Science Heraut, met het doel: “de universele werkzaamheid en beschikbaarheid van Waarheid te verkondigen” (My 353:14). De definitie van ‘heraut’ in een woordenboek: “voorloper – een boodschapper die vooruit is gestuurd om bekend te maken wat er gaat komen”, geeft een speciale betekenis aan de naam Heraut en wijst ons bovendien op onze plicht – de plicht van ieder van ons – om te zorgen dat onze Herauten hun taak vervullen, een taak die onafscheidelijk is van de Christus en werd aangekondigd door Jezus met de woorden: “Ga heen in heel de wereld, predik het Evangelie aan alle schepselen” (Markus 16:15).

Mary Sands Lee, Christian Science Sentinel, July 7, 1956

Lees meer over de Heraut en zijn missie.