Het was een beslissend moment in de geschiedenis: We bevonden ons samen met iedereen op de grens van een nieuw tijdperk, waarin iedereen dacht aan en hoopte op VREDE. Grote vredesinitiatieven waren wereldwijd in de maak en veel religieuze gemeenschappen wijdden zich door gebed op inclusieve wijze toe aan dat doel.
Toen viel op vreedzame wijze in 1989 de Berlijnse Muur, die Berlijn 28 jaar lang verdeeld had gehouden. En in 1994 viel ook het apartheidsregime, dat Zuid-Afrika 46 jaar lang had verdeeld gehouden. Deze gebeurtenissen voelden als wonderen van genade.
Er werden in die tijd zoveel stappen naar vrede aanbevolen, dat ik me niet meer herinner wie het volgende zei, maar het is me bijgebleven:
. Wees in de eerste plaats in vrede met God.
. Dan kun je in vrede zijn met jezelf.
. Dan kun je in vrede zijn met je naaste.
. Dan zal er vrede zijn in de wereld.
Opvallend door hun pure eenvoud, betekenden deze vier stappen – waarvan geen enkele kan worden overgeslagen en waarvan de volgorde niet veranderd kan worden – heel veel voor mij. Ik zag ook dat als het woord liefde werd vervangen door vrede, dit de stappen weerspiegelt die Jezus zag als de twee grootste geboden: “U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand ... En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf” (Mattheüs 22:37, 39).
Onze naasten liefhebben zoals we onszelf liefhebben!
Ik begon aan bijna iedereen met wie ik sprak, te vragen: “Heb jij jezelf lief?” De antwoorden verrasten me! Meer dan 80 % ervan waren negatief – Sommigen zeiden gewoon: “Nee.” Anderen zeiden: “Niet echt, ik wist niet dat ik dat moest doen en ik weet ook niet hoe.” Of: “ik dacht dat eigenliefde verkeerd was.”
Ik vroeg me af: Is dit echt de manier waarop de meeste mensen liefde zien?
De antwoorden leken erop te wijzen dat stap twee – in vrede zijn met jezelf – gewoonlijk ontbrak. Voor veel mensen was de idee om God en je naaste lief te hebben wel logisch, maar om van jezelf te houden, blijkbaar niet. Dat leek veel moeilijker te bevatten, zo niet totaal onmogelijk.
Terwijl ik daar verder over nadacht, zag ik dat sommige mensen vaak een soort innerlijke Berlijnse Muur opbouwen, steen voor steen, om zichzelf te beschermen tegen pijn, vrees en afwijzing; misschien in de veronderstelling: “Nu ben ik veilig en zal geen pijn meer voelen”. Maar die houding kan tevens het goede buitensluiten, mogelijk Gods liefde, terwijl men ernaar snakt om een liefde te begrijpen en te ervaren, die men nooit heeft gekend – zelfs niet wanneer men probeerde eigen pijn kwijt te raken door goede werken voor anderen te doen.
Ik besloot een hele dag te nemen om diepgaand te bidden over de schrijnende behoefte van zovelen om zich geliefd te voelen. Mary Baker Eddy schreef: “De goddelijke Liefde heeft altijd voorzien en zal altijd voorzien in alles wat de mens van node heeft” (Wetenschap en Gezondheid, blz. 494). Ik wilde gewoon weten hoe dat gebeurt.
Terwijl ik aandachtig luisterde naar Gods antwoord kwam de gelijkenis van Jezus over de verloren zoon in mijn gedachten (Lukas 15:11-32). Dit bekende en tijdloze verhaal gaat over een jongste zoon, die om zijn deel van de erfenis vraagt. Zijn vader geeft het hem, ondanks de krenkende aard van het verzoek; het impliceerde namelijk dat hij voor zijn zoon al dood was. Door de jaren heen hebben veel mensen de response van deze vader gelijkgesteld aan die van God, onze hemelse Vader en Zijn onfeilbare liefde voor ons, Zijn kinderen.
In het verhaal vertrekt de zoon onmiddellijk naar een ver land waar hij een losbandig leven leidt en zijn vermogen verkwist. Als zijn erfenis op is, heeft hij niets meer. Zo lijkt het in elk geval. Het is een kleurloos uitzicht. Hij krijgt een baantje om varkens te voeren, maar het blijkt dat niemand hem iets te eten geeft – misschien wel omdat hij niets verwacht. Zelfs het varkensvoer begint hem smakelijk te lijken!
Dan begint het in hem te dagen wie hij werkelijk is. Hij richt zich op en besluit om naar huis te gaan om zijn vader op te zoeken. Als zijn vader hem ziet aankomen, snelt hij hem tegemoet en omhelst hem alsof hij nooit weg is geweest. Maar het viel me op, dat de zoon de liefde afweert! Hij vertelt zijn vader dat hij niet van hem zou houden als hij wist wat hij misdaan heeft en dat hij niet waard is zijn zoon genoemd te worden. Omdat de zoon nog niet heeft geleerd hoe hij van zichzelf moet houden, duwt hij datgene weg waar hij naar verlangt.
Maar de vader lijkt het niet op te merken. Hij laat een mooi gewaad brengen en schoenen en een ring – allemaal uiterlijke tekenen dat deze jongeman echt zijn zoon is. En dan wordt de veilige thuiskomst gevierd met een groot feest.
Er is echter een oudere broer die dit niet eerlijk vindt; hij bleef thuis en werkte en dat werd nooit gevierd. Uit jaloezie verwerpt ook hij de liefde van zijn vader.
Voor het eerst zag ik, dat deze confrontatie met hun vader niet zozeer ging over twee zoons, maar over twee gedachtenstaten die ons lijken te scheiden van Gods aanwezigheid. Jezus leidt zijn toehoorders naar de onvoorwaardelijke liefde van God. Zoon en dochter – ieder van ons – is altijd geliefd en gezegend geweest door God. Iedereen heeft zijn of haar geestelijke erfenis, die nooit verdeeld kan worden of verloren gaan.
De vader, die zich in allebei zijn kinderen verheugt, zegt tegen de oudste zoon: “Kind, jij bent altijd bij mij en al het mijne is van jou” (Lukas 15:31). En dit is Gods vaderlijke verzekering aan ieder van ons: “Al het Mijne is van jou, en van jou, en van jou.”
Terwijl deze transformerende kracht van de goddelijke Liefde mijn denken binnenstroomde, voelde ik plotseling binnen in mij een “Berlijnse Muur” instorten. Ik voelde me absoluut één met God in het diepst van mijn wezen. Op dat moment besefte ik beter dan ooit de eenheid van Vader en zoon, Schepper en schepping, Liefde en geliefde.
Interessant was, dat ik sinds lange tijd weer een heleboel telefoontjes kreeg. Ik hoorde over veranderingen die plaatsvonden in het leven van anderen, over herstelde relaties, over eigenwaarde die zelfveroordeling verving. Enkele dagen later belde iemand, die mij eerder had gebeld over het vinden van eigenwaarde, om mij te vertellen dat diepgaand gebed over kameraadschap was verhoord – en dit bevestigde voor mij dat als we leren van onszelf op de juiste wijze te houden, we klaar zijn om van anderen te houden.
Toen ik mensen vroeg of zij van zichzelf hielden, was het meest voorkomende antwoord: “Hoe dan?” Er is een Bijbelvers dat me helpt om dit uit te leggen. 1 Johannes zegt: “Wij hebben Hem [God] lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft” (4:19). Het lijkt mij natuurlijk om de God lief te hebben die ons liefheeft. Het mooie is, deze liefde hoeft niet verdiend te worden. Die is er al voor ons om te aanvaarden. Bovendien schiep deze zelfde God, die Liefde is, ons naar Zijn beeld en gelijkenis (zie Genesis 1:26, 27).
Hoe kunnen we niet liefhebben wat we zijn als Gods uniek, individueel idee?
Het ontdekken van deze waarheid kan een reis inhouden, zoals die van de jongste zoon, maar we eindigen altijd op dezelfde plaats – in de armen van onze hemelse Vader, God. Dan verliezen de lidtekens van het leven hun macht ons te definiëren. Het wordt mogelijk om de last van ongelukkige herinneringen die zo lang zwaar te dragen waren, los te laten. Opgelucht en blij zien we ze wegvallen, samen met alle negatieve eigenschappen die nooit bij ons hoorden en nooit zullen horen bij Gods zoons en dochters.
Ik zag deze vrijheid ontstaan bij een kennis. Haar moeder was een ernstig verslaafde alcoholiste geweest en had zich jarenlang beledigend en aggressief gedragen. Zoals dat bij kinderen soms het geval is, was mijn vriendin gaan geloven dat het op een of andere manier haar schuld was. Hoe slechter het gedrag van de moeder werd, des te meer verweet zij zichzelf dat ze geen betere dochter was.
Toen mijn vriendin Christian Science begon te bestuderen, vroeg ze een Christian Science-practitioner om voor haar te bidden. Ze bestudeerde de wekelijkse Christian Science Bijbellessen – ofschoon het een nieuwe taal voor haar leek en de logica van de woorden haar ontging.
Toen, op een dag, wees iemand haar erop dat ze het wangedrag van haar moeder niet hoefde te accepteren of proberen te verdragen. Dat was een wake-up call. Deze woorden waren als een engelenboodschap van God en ze was klaar om die te ontvangen en er naar te handelen. Later realiseerde ze zich dat de ideeën in de Bijbellessen een diepe indruk op haar denken hadden gemaakt, zelfs voordat ze zich daarvan bewust was. De lessen hadden haar gedachten teder geopend voor Gods goedheid.
Gedurende de volgende maanden liet ze geleidelijk het gevoel los, dat haar eigenwaarde afhing van de goedkeuring van haar moeder. In plaats daarvan wendde ze zich tot een hogere bron – tot God, die haar echte hemelse Vader-Moeder was. Haar echte Ouders. Uiteindelijk vonden er veranderingen plaats, hetgeen betekende dat er goed voor de moeder werd gezorgd en zij met drinken stopte. Nu is mijn vriendin in staat dingen voor haar moeder te doen uit oprechte genegenheid en haar moeder is in staat daar waardering voor terug te geven.
Mijn vriendin schreef me: “ik leerde dat het onmogelijk voor me was een goede buur te zijn, een “goede Samaritaan” of zelfs een goede dochter, zonder eerst mijn eigen hongerende gevoelens van liefde te voeden uit de goddelijke bron. Pas toen kon ik beginnen te leren om lief te hebben zoals ik geliefd ben door God.”
En op deze manier wordt de wereld hervormd, leven na leven, tot de universele aard van de goddelijke Liefde verschijnt, die vrede brengt. Een gezang belooft: “Zo onthult Waarheid het volmaakte geheel; haar glans zal de wereld overstromen” (vertaald uit de Christian Science Hymnal, nr. 363).
