Gedurende een groot deel van mijn leven voelde ik een diepe behoefte om “gelijk” te hebben. Tijdens mijn jeugd stond ik onder voogdij van de staat. Terwijl zoveel andere kinderen ogenschijnlijk een normaal gezinsleven hadden, was het enige wat ik had mijn vermogen om academisch uit te blinken.
Omdat mij al op jonge leeftijd werd verteld hoe slim ik was, voelde ik dat het belangrijk was om anderen te laten zien hoeveel ik wist. Intelligentie was de maatstaf die ik gebruikte om mezelf als superieur of inferieur aan anderen te beoordelen. Dit werd vooral duidelijk wanneer ik gesprekken van anderen onderbrak en een of ander feit opdreunde. Zoals je je kunt voorstellen, had dit geen positief effect op mijn relaties.
Toen ik kennismaakte met Christian Science en de studie ervan begon, realiseerde ik me dat dit gedrag werd gedreven door angst — diep vanbinnen was ik bang dat ik niet goed genoeg was. Ik besefte dat ik die angst moest loslaten om genezen te worden van deze behoefte om “gelijk” te hebben.
Het leerboek van Christian Science, Wetenschap en Gezondheid met Sleutel tot de Heilige Schift van Mary Baker Eddy legt uit dat God het goddelijk Beginsel is: Leven, Waarheid, Liefde, Ziel, Geest en Gemoed. Ik begon me erop te richten om in mijn leven die eigenschappen tot uitdrukking te brengen, die bij deze synoniemen van God horen. Ik wilde iemand zijn tot wie anderen zich vanzelf aangetrokken voelen, maar telkens weer merkte ik, dat mijn gekwetste, trotse zelfbeeld mijn vermogen om nederigheid te tonen in de weg stond.
Enkele maanden geleden richtte de organisatie waarvoor ik werk een nieuwe afdeling op en vroeg mij om daar samen met twee andere collega's deel van uit te maken. Elke bijeenkomst met onze groep stond in het teken van teambuilding. Ik heb dus veel tijd besteed aan bidden over hoe ik mijn verkeerde gevoel van verantwoordelijkheid kon loslaten en een gelijkwaardige medewerker zijn.
Op een avond zat ik in de kantine en iemand stelde me een vraag. Met alle overtuiging die ik had, gaf ik zelfverzekerd antwoord. Toen bedacht ik dat ik het even moest opzoeken om zeker te zijn. En weet je wat? Ik had het mis!
Dat zette me aan het denken over waar ik nog meer ongelijk in kon hebben. Het bleek dat ik heel vaak ongelijk had. Sterker nog, de enige momenten waarop ik echt wist dat ik gelijk had, waren wanneer ik luisterde naar wat God mij ingaf voordat ik iets zei. Dit inzicht hielp me om stiller te worden en meer te luisteren dan te spreken.
Een paar weken later bad ik om te zien hoe ik mijn toewijding aan de toepassing van Christian Science het beste kon vervullen. Toen kwam het in me op om verwijzingen naar “Gemoed” in Wetenschap en Gezondheid op te zoeken. Een behulpzame passage die ik vond, maakt deel uit van de definitie van Ik, of Ego, in de verklarende woordenlijst van dit boek: “Er is slechts één Ik of Ons, slechts één goddelijk Beginsel of Gemoed, dat alle bestaan bestuurt; man en vrouw, die in hun individueel karakte voor altijd onveranderd blijven, evenals getallen nooit in elkaar overgaan, al worden zij door één Beginsel bestuurd. Alle dingen in Gods schepping weerspiegelen één Gemoed en alles wat niet dit ene Gemoed weerspiegelt, is onwaar en onjuist, namelijk het geloof, dat leven, substantie en intelligentie zowel mentaal als stoffelijk zijn” blz. 588).
Kort daarna was ik bij de wekelijkse getuigenisbijeenkomst in mijn plaatselijke Christian Science kerk. Ik was niet van plan om een getuigenis te geven, maar toch stond ik op en nam de microfoon aan. Terwijl ik sprak, besefte ik dat ik niet meer of minder intelligent kan zijn dan wie dan ook, omdat we allemaal geschapen zijn door en de uitdrukking zijn van het ene Gemoed, God. Ik dacht aan dit Bijbelvers: “Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was,” (Filippenzen 2:5). De tranen rolden over mijn wangen, terwijl ik me nederig voelde door dit inzicht.
Mijn omgang met anderen is veranderd en ik voel mij minder angstig en heb een diepere liefde voor iedereen in mijn leven. Ik hoef niet langer de eerste te zijn die spreekt of me ongevraagd in gesprekken van anderen mengen. Het is oké voor mij om te zien wanneer ik ongelijk heb of om te zeggen, dat ik het antwoord niet weet. Nog belangrijker: ik voel niet langer de behoefte om iemand te corrigeren, wanneer ik denk dat diegene ongelijk heeft. Als ik echt word geleid om een behulpzame correctie te geven, luister ik eerst naar goddelijke inspiratie over wat ik moet delen.
Mijn verwantschap met God staat op een stevig, geestelijk fundament en dat is de basis van waaruit ik kan blijven werken aan mijn relaties. Ik bid regelmatig met deze gedachte: “opdat u eensgezind, met één mond, de God en Vader van onze Heere Jezus Christus verheerlijkt.” (Romeinen 15:6). Ik probeer mij tot doel te stellen, dat al mijn gedachten en woorden God verheerlijken.
Ik ben zeer dankbaar voor Christian Science en alle wonderbaarlijke vruchten die de studie ervan mij heeft gebracht.
