Parsley was een prachtige zwart-witte poes die verderop in de straat woonde. Maar toen Parsley’s familie moest verhuizen, nam ik hem in huis.
Arme Parsley! Hij vond zijn nieuwe thuis niet leuk. Er woonde daar al een andere kat, en een hond!
Parsley miste zijn oude huis zo erg dat hij er steeds naar terugkeerde en dan moest ik hem weer ophalen en mee naar huis nemen. Wanneer hij wel thuis bleef, verstopte hij zich meestal in een kast en kwam alleen te voorschijn om te eten.
Op een dag zag ik dat Parsley een grote bult op zijn oor had. Ik had vaak gebeden voor mijn andere huisdieren en ze hadden genezingen gehad. Dus ik wist dat ik ook kon bidden voor Parsley.
Parsley liet toe dat ik hem oppakte. Terwijl ik hem aaide, bad ik en vroeg God om een antwoord. Terwijl ik dit deed, kreeg ik een overweldigend besef van liefde. Het was groter dan enig andere gevoel van liefde dat ik ooit eerder had ervaren, dus ik wist dat het van God moest komen, van de goddelijke Liefde. Het was al-omvattend en ik wist dat het iedereen insloot, overal – ook kleine dieren.
Ik voelde mij zo vredig, wetende dat de goddelijke Liefde voor iedereen en alles zorgt. Parsley zat een poosje rustig bij me, sprong toen op de grond en ging wat anders doen.
Toen ik hem de volgende dag weer zag, was zijn oor volmaakt in orde – alsof er nooit een bult op had gezeten.
Maar er was iets groters en beters gebeurd. Vanaf die tijd was Parsley liefdevol en aanhankelijk. Niet meer verstoppen in kasten. Niet meer weglopen naar zijn oude huis. Hij was een van de familie geworden, had vriendschap gesloten met mijn andere poes en met de hond en liet zien dat hij er echt bijhoorde. Hij zat vooral graag op mijn schoot wanneer ik bad en de wekelijkse bijbelles las uit het Christian Science Kwartaalboekje.
Parsley wist nu dat wij echt van hem hielden en hij leefde nog vele jaren gelukkig bij ons. Hij had, net als ik, de aanraking van de goddelijke Liefde gevoeld en dat veranderde alles ten goede.