Skip to main content

Kunnen mieren een huis vernietigen?

De Christian Science Heraut - 30 januari 2019

Oorspronkelijk gepubliceerd in de 10 december 2018 editie van de Christian Science Sentinel.


Er liepen grote zwarte houtmieren over de muren in een hoek van onze eetkamer. Een vriend van ons, een aannemer, onderzocht de situatie en zei toen dat hij liever termieten zou hebben dan houtmieren. Dit joeg ons schrik aan omdat we zijn mening over constructiezaken op prijs hadden leren stellen.

Ik belde meteen iemand om de mieren te komen uitroeien. Hij kwam naar ons huis en besproeide de hoek van de zolder waar hij het mierennest had ontdekt. Voor enige tijd zagen we minder mieren, maar er waren er toch een aantal overgebleven, zodat we belden voor een tweede behandeling. Die werd gedaan. En net zoals de eerste keer, verminderde het aantal mieren onmiddellijk, maar al heel gauw kwamen er weer meer. Ik belde voor de derde keer, en toen vertelde de man ons vriendelijk dat hij de mieren niet blijvend kon verwijderen omdat ze zich zo diep genesteld hadden op onze zolder.

Wow! Dat was beangstigend om te horen. Wat zou er van ons huis terechtkomen?

Maar toen deed ik wat ik van het begin af aan had moeten doen – bidden! Ik opende mijn gedachten voor God en voelde me geleid om verwijzingen naar mieren op te zoeken in de Bijbel. Er zijn er twee: Spreuken 6:6 en 30:25. Er wordt niets verkeerds gezegd over mieren; sterker nog, ze worden beschreven als wijs en ijverig. Ik las ook het eerste hoofdstuk van Genesis, waarin staat dat God alles maakte en zag dat het “zeer goed” was (vers 31). Deze studie hielp me te begrijpen dat God niets gemaakt heeft dat schadelijk of vernietigend is.

De mieren bleven op de muren van onze eetkamer lopen, dus ik bleef bidden met deze geestelijke waarheden. Toen ik op een morgen door het huis liep terwijl ik de wekelijkse bijbelles las in de Full-Text editie van het Christian Science Kwartaalboekje, ging ik de eetkamer binnen en zag de mieren omhoog trekken in de hoek onder hun zoldernest. Toen ging ik terug naar de les en deze verklaring in het “Om beurten te lezen” viel me op: “Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heer” (Romeinen 8:38,39).

Op dat ogenblik begreep ik dat niets, inclusief de mieren, ons kon scheiden van de liefde van God. Het was alsof er een licht aanging in mijn gedachten. Toen keek ik toevallig weer naar boven, en er was geen mier meer te zien. Waar ongeveer twintig dikke zwarte houtmieren op de muren hadden gekrioeld was er nu opeens niet één meer. En we hebben nooit meer een mier gezien in ons huis.

Hier kwam nog bij dat ik meer waardering kreeg voor sommige schepsels waar ik eerder van gegriezeld had. Ik kon de bewegelijkheid bewonderen waarmee een slang zich verplaatste over het grasveld en hoe symmetrisch een spin zijn web spon.

Jaren later, toen de tijd was gekomen om ons huis te verkopen, vond de huisinspecteur geen enkele schade als gevolg van mieren op de zolder of in een ander deel van het huis. Echt, geen schepsel had ons gescheiden van de liefde van God.

The Mission of the Herald

In 1903, Mary Baker Eddy established The Herald of Christian Science. Its purpose: "to proclaim the universal activity and availability of Truth." The definition of "herald" as given in a dictionary, "forerunner—a messenger sent before to give notice of the approach of what is to follow," gives a special significance to the name Herald and moreover points to our obligation, the obligation of each one of us, to see that our Heralds fulfill their trust, a trust inseparable from the Christ and first announced by Jesus (Mark 16:15), "Go ye into all the world, and preach the gospel to every creature."

Mary Sands Lee, Christian Science Sentinel, July 7, 1956

Learn more about the Herald and its Mission.