Skip to main content

Het is nooit te laat om genezing te vinden

De Christian Science Heraut - 25 november 2019

Oorspronkelijk gepubliceerd in The Christian Science Monitor’s Christian Science Perspective kolom van 17 april 2018.

Ook gepubliceerd in de 23 juli 2018 editie van de Christian Science Sentinel.


Toen mijn dochter nog heel jong was, begonnen zich gewrichtsproblemen in mijn handen te ontwikkelen. Naarmate de conditie verslechterde en mijn gewrichten misvormd werden, vreesde ik dat het misschien te laat was om het degeneratieproces dat leek te hebben wortelgeschoten, te stoppen.

Toen dit probleem ontstond, werd ik me heel bewust van een geestelijke honger die ik al enige jaren opzij had geschoven vanwege het dagelijks leven met school, een carrière en toen een gezin. Maar ik wist dat de Bijbel een bron van genezing is, dus wendde ik mij tot het boek Jesaja en vond een troostende boodschap van Gods macht om in onze behoefte te voorzien, zelfs wanneer een situatie hopeloos lijkt. Ik las: “Het geknakte riet zal Hij niet verbreken, de uitdovende vlaspit zal Hij niet uitblussen” (42:3).

Ik dacht daarbij aan een rietpluim die lusteloos neerhing nadat de stengel door de windvlagen was geknakt en aan de kaars die brandde totdat er alleen nog maar een sliertje rook overbleef om te herinneren aan de vlam die er eens was. Deze metaforen illustreren iets dat niet meer te redden zou zijn. En de neiging kan dan zijn om het schijnbaar onvermijdelijke te verhaasten – de rietpluim af te knippen en het nagloeiende pitje te doven.

Maar het ligt in de reden om vernieuwing te verwachten als we de genezende en reddende aard van de goddelijke Geest, God, begrijpen. Bij voorbeeld, de ontdekster van Christian Science, Mary Baker Eddy, bevond zich in een doodlopende situatie toen zij midden-40 was. Toch nam haar leven zo’n volledige wending dat zij 40 jaar later nog steeds werkte toen zij de Christian Science Monitor oprichtte. Dus was het geen louter theoretiseren toen zij schreef: “Als de mens niet de dwaling beging alles wat goed en schoon is af te meten en te beperken, zou hij een hogere leeftijd dan zeventig jaar genieten en toch nog krachtig, fris en vol beloften blijven” (Wetenschap en Gezondheid met Sleutel tot de Heilige Schrift, blz. 246).

Ik keerde mij tot God met een eerlijk verlangen om te begriijpen hoe Hij mij gemaakt had – niet als een sterveling in verval maar als de mooie en geestelijke weerspiegeling van de goddelijke Geest. Dit gaf mij een sprankje van verwachting op genezing.

Wetenschap en Gezondheid legt verder uit: “De stralende zon van deugd en waarheid is één met het zijn. Het volkomen mens-zijn is hierin de eeuwige middaghoogte en wordt door geen dalende zonverduisterd” (blz. 246). “De zon staat onbeweeglijk vast. Dus haar hier te gebruiken als een metafoor voor God en Zijn relatie met de mens, hielp mij om te begrijpen dat net zoals de zon slechts líjkt op te komen en onder te gaan, degeneratie slechts een verkeerd begrip van de werkelijkheid is. Als Gods idee, of schepping, groeien wij evenmin  naar een volmaakte en eeuwige staat toe, als dat we vervallen van de hoogste en beste uitdrukking van Gods schoonheid en goedheid. Dit is een belangrijk aspect van wat het betekent het beeld en de gelijkenis van God te zijn, zoals de Bijbel zegt dat we zijn.

Ik zag in dat de oorzaak van het fysieke probleem een verkeerd beeld was van  wat ik ben. Maar terwijl ik met deze ideeën bad, voelde ik daar verandering in komen, dus ik was niet zo bang meer. Ik begreep nu beter dat onze ware identiteit ons werkelijk door God is gegeven – onveranderlijk, blijvend en geestelijk, niet beperkt tot aspecten, fasen of producten van menselijke ontwikkeling. Afgezien van hoe mijn handen er uitzagen, mijn ware zijn was in werkelijkheid uitgesloten van de mogelijkheid tot verval.

Op een zeker moment keek ik neer op de misvormde handen en zei hardop tegen mijzelf: “Dit heeft niets te maken met mij.” Er was lichamelijk niets veranderd, maar het begrijpen van mijn aard was verschoven van een stoffelijke naar een geestelijke basis. Als ik naar mijn handen keek, was het alsof ik naar een donkere schaduw keek, gevormd door “een dalende zon.” Onbevreesd wist ik dat de schaduw geen substantie had of macht om kwaad te doen en dat hij zou verdwijnen.

Toen ik de volgende dag wakker werd, waren mijn knokkels normaal, zacht, soepel en pijnloos, hersteld naar de normale kleur en functie – in één woord, volmaakt. En in de vele tientallen jaren daarna hebben zulke symptomen zich nooit meer voorgedaan.

Het verlangen om te begrijpen dat God, de onsterfelijke Geest, de bron en instandhouder is van ons allen, maakt duidelijk wat het betekent om echt en volledig geestelijk te zijn als Gods schepping – inclusief het ervaren van de schoonheid, grootsheid en volheid van het leven. We hebben te allen tijde het recht om van dit leven te genieten.

The Mission of the Herald

In 1903, Mary Baker Eddy established The Herald of Christian Science. Its purpose: "to proclaim the universal activity and availability of Truth." The definition of "herald" as given in a dictionary, "forerunner—a messenger sent before to give notice of the approach of what is to follow," gives a special significance to the name Herald and moreover points to our obligation, the obligation of each one of us, to see that our Heralds fulfill their trust, a trust inseparable from the Christ and first announced by Jesus (Mark 16:15), "Go ye into all the world, and preach the gospel to every creature."

Mary Sands Lee, Christian Science Sentinel, July 7, 1956

Learn more about the Herald and its Mission.